blanco

melodie.moonpub.net

de populaire muziek & haar deuntjes uitgelicht

jazzmusici & de tol van de roem


De jazzmusici zelf waren niet zo rijp en ervaren als je op basis van hun latere roem zou mogen denken. Benny Goodman was nog maar zesentwintig toen hij de roos trof in de Palomar. Artie Shaw was net vierentwintig toen hij al dertigduizend dollar in de week verdiende.


Overigens was het nummer waarop zijn roem berustte gewoon bedoeld geweest als opvulsel ‘We hadden een schitterend nummer voor de A-kant— een versie van ‘Indian Love Call’ die ikzelf had gearrangeerd en waarmee ik eens flink wou uithalen, zegt Shaw. ‘Maar daar kwam niets van. De B-kant, uit een mislukte musical van Cole Porter, werd echter een van de meest bekende swingnummers. Het heette ‘Begin the Beguine‘.

Er waren nog meer moeilijkheden. De sterren van de jaren dertig zongen niet zoals de hedendaagse idolen, maar bespeelden een instrument. De meeste bigbands zaten barstensvol jazzmusici die nu eindelijk de kans kregen hun creatieve mogelijkheden uit te buiten. Ze konden niet alleen spelen zoals ze wilden maar werden er ook nog buitengewoon goed voor betaald. Dat eiste zijn tol. De meeste orkesten speelden vijftig weken per jaar. Hoe populairder het orkest, hoe meer er gereisd werd. Woody Herman weet nog dat iedereen blij was wanneer een engagement maar een of twee weken duurde. ‘Dan konden ze eindelijk hun ondergoed eens wassen.’

Langere engagementen betekenden vaak dat ze meermalen per dag moesten optreden, soms als extra attractie in een filmtheater. De filmbonzen die de Tin Pan Alley hadden opgekocht, wisten natuurlijk alweer een nieuwe manier om geld uit hun product te slaan. Benny Goodman: ‘De films waren over het algemeen niet om aan te zien. Maar als we een paar dagen in een theater hadden gespeeld, zette de filmmaatschappij een advertentie in de krant waarin stond hoe geweldig de film het wel deed.

Werken in zo’n cinema was geen lolletje. De orkesten speelden vijf, zes keer per dag, van tien uur ‘s morgens tot een uur ‘s nachts, zeven dagen in de week. Buck Clayton vertelde me hoe zelfs dit werd uitgebuit.

‘We begonnen soms ‘s ochtens met een optreden van een uur. Als er veel publiek was, zetten ze maar een korte film in, van veertig minuten of zo. Dan moest je gauw zorgen dat je je ontbijt binnen kreeg. Daarna moest je de hele dag doorpezen. Als er behoorlijk veel publiek was, maakten ze de films korter. Je had mazzel als je ‘s middags een half uur vrij had om te eten. Je had nooit tijd om je eens te ontspannen en ‘t ervan te nemen. Je had gewoon nergens tijd voor.’

En dan had je de fans. Meestal schreeuwende en tierende fans. Artie Shaw had een gloeiende hekel aan ze.

‘We traden een keer op in Philadelphia. Ik kreeg de eerste dag al te horen dat er zo veel werd gespijbeld op de scholen dat de inspecteur van onderwijs een klacht had ingediend bij de politie. Na ons eerste optreden probeerde ik mijn kleedkamer te verlaten om wat frisse lucht te happen. De portier zei tegen me dat ik me beter niet op straat kon wagen. Hij deed de deur van de artiesteningang open — op een kiertje — zodat ik even naar buiten kon kijken. De hele straat stond vol met dat jonge goed. Het verkeer was volledig vastgelopen en een stel politiemensen te paard probeerde de menigte uiteen te jagen.’

Benny Goodman begon er het zijne van te denken.

‘Iemand die uit was op het soort aanbidding waar wij onder te lijden hadden moest wel goed getikt zijn. We hadden dat soort herrie nooit aangemoedigd. We speelden zelfs niet eens als er teveel lawaai was. Dan wachtten we gewoon tot het wat rustiger werd. Ze konden niet naar ons luisteren en tegelijkertijd zoveel lawaai maken.’

De verwarring werd nog groter toen al te ijverige publiciteitsmensen zich met de zaak begonnen te bemoeien. Het gebeuren dat later als het absolute hoogtepunt van het swing-tijdperk werd beschouwd, was bijvoorbeeld begonnen als een gewone stunt.

In 1938 zag Goodmans perschef een mogelijkheid het orkest wat meer aanzien te geven (en het wat meer in de publiciteit te brengen) door het een officieel concert te laten geven. Goodman vond het een krankzinnig idee. Het was een dansorkest. Maar de perschef bleef aandringen tot Goodman bezweek. Sol Hurok, de impresario, moest formeel zijn goedkeuring aan de onderneming hechten. Het enige wat hij deed was Goodman een bezorgde brief schrijven, waarin hij erop aandrong dat de jongens zich netjes zouden gedragen. Zijn zorg was wel begrijpelijk. Tenslotte zou het concert plaatsvinden in de Carnegie Hall.

De swing was in. Het orkest speelde goed. Goodman leidde een jam session met sterren uit de bands van Ellington en Basie en het publiek danste in de gangpaden. Maar, volgens Goodman, ‘dat soort publiek hadden we al in de Paramount gehad.’ Het orkest gaf nog een paar concerten, waaronder een tweede in de Carnegie Hall in 1938, maar Goodman was niet meer van zijn standpunt af te brengen: ‘Ik vond mijn muziek niet geschikt voor een concertzaal. Dus ik wou ‘t niet meer. Ik wou dansmuziek maken.’

Door de concerten in de Carnegie Hall werd echter wel duidelijk dat de swing zich in een moeilijke positie bevond. Naar het publiek te oordelen, vooral dat in de concertzalen, was het dansmuziek. Het optreden in de Carnegie Hall was voor velen het bewijs geweest dat de swing alleen maar werd gespeeld om er munt uit te slaan. Enkele maanden na het eerste optreden van Goodman in de Carnegie Hall ging Artie Shaw, terwijl het contract nog liep, lekker op vakantie naar Mexico en zei dat hij nooit meer terug zou komen.

De New York Times schreef: ‘Elk commentaar dat we kunnen bedenken verdwijnt in het niet bij het dramatische gebaar dat Mr. Shaw gemaakt heeft door te vertrekken. Het is een opzienbarend oneerbiedig afscheid van zijn werk en zijn vroegere collega’s en zelfs de meest timide geest moet ooit van een dergelijke stap gedroomd hebben. Hij heeft op schitterende wijze en zonder angst al zijn bruggen achter zich verbrand.’

Maandenlang had de pers bol gestaan van Shaws gekanker over de corruptie bij de platenmaatschappijen en de hebzucht van de platenbonzen. Maar niemand had gerekend op het definitieve afscheid van Shaw.

Shaw weet nu nog niet of hij er goed aan gedaan heeft.

‘We speelden in balzalen maar gaven daar concerten,’ zei hij tegen me. ‘Ik had een record gebroken in de Palomar. We hadden daar bijna tienduizend bezoekers — zoveel mochten er vast niet in van de brandweer. Je kon over de hoofden van de mensen heen lopen. Niemand danste. Ik wilde zelf concerten geven, maar mijn manager wou er niets van weten. En als we in een filmzaal kwamen, waar het publiek wel kon zitten en luisteren, dan gingen ze allemaal staan. Dan begonnen ze te schreeuwen en te gillen — en te dansen. We speelden het beste wanneer iedereen stil was. We wilden alleen maar dat iedereen zijn bek hield en ons liet spelen. We speelden alleen niet graag wanneer het publiek lastig werd en zoveel herrie maakte dat we onszelf niet konden horen.

Die eindeloze avonden, de extase van de fans, de onmogelijkheid om iets anders te spelen dan normaal omdat het publiek precies wilde horen wat het al eerder gehoord had. ‘Begin the Beguine‘ klinkt erg aardig, zegt Shaw.

‘Maar als je het vijfhonderd keer achter elkaar hebt gespeeld, wordt het wat vervelend. Als je je muziek als een soort product moet verpakken en het aan een groot publiek gaat verkopen, kom je in moeilijkheden. Ik zei tegen mezelf dat als ik er niet mee ophield dan zou ik een hekel aan mezelf krijgen. Ik dacht eerst dat ik er helemaal niet mee zou kunnen stoppen. Ik had voor ongeveer een miljoen dollar aan contracten afgesloten. Ik zat helemaal volgeboekt. Mijn advocaat zei dat ze me zoveel processen zouden aandoen dat ik er in zou blijven. Ik zei dat hij dan maar ter verdediging aan moest voeren dat ik gek was. “Gek?” zei hij, “Hoezo?” Ik zei dat een Amerikaan die een miljoen dollar laat schieten wel goed gek moet zijn.’

Shaw was niet de enige orkestleider die er de brui aan gaf. Goodman hield er ook steeds mee op, maar begon er telkens weer opnieuw mee. Hij had eens last van zijn rug en was maandenlang uit de running. Hij heeft meer dan eens de neiging gehad er volledig mee te stoppen.

In hun zucht naar geld lieten de beste instrumentalisten zich verhandelen als voetbalspelers. Dave Tough ging van Dorsey naar Goodman, Bud Freeman van Goodman naar Dorsey, Buddy Rich van Shaw naar Dorsey, Gene Krupa en daarna Harry James gingen bij Goodman weg om hun eigen orkest te vormen.

Nu de orkesten niet meer zo’n vaste bezetting hadden, begon de aard van de muziek ook te veranderen. Het succes van Goodman school in het feit dat wat hij speelde vaste vorm begon aan te nemen. De fans wilden de arrangementen die ze kenden. De beste orkesten, zoals dat van Goodman, hadden altijd grondig gerepeteerd, maar tijd en ruimte opengelaten voor improvisatie.

Nu werd zelfs de improvisatie gerepeteerd. Artie Shaw:

‘Ik kon ‘t niet langer aanzien dat mijn muziek zo naar beneden werd gehaald, omdat de massa anders niet begreep wat ik deed. En je moet tenslotte afzakken tot het niveau van de massa als je wilt dat die je begrijpt en als je zijn aandacht wilt blijven trekken. Je zakelijk leider en je perschef en je fanclub zullen je vertellen dat je water in de wijn moet doen, en dan wordt je muziek een slap aftreksel. Als het zover is, ben je er geweest. Muziek is muziek, en zaken zijn zaken. Die twee hebben niets met elkaar te maken.’

Shaw besluit:

‘Als je van muziek een product maakt dat je aan de massa verkoopt, heb je iets heel kostbaars verloren. Je hebt natuurlijk ook iets verdiend—geld. Maar daarvoor moet je met etiketjes gaan werken en swing was een van die etiketjes op de supermarkt van de populaire muziek.’




Click to listen highlighted text!