blanco

Melodieën & Muzikanten

de populaire muziek & haar deuntjes uitgelicht – melodie.moonpub.net

Tubular Bells, start Virgin Records en The Exorcist






Branson (Virgin Records) & Mike

De release van het album was tevens de start van Virgin Records – album kreeg label V20001, allereerste release van Virgin. De platenmaatschappij heeft daarna albums uitgebracht van vele artiesten – zie de lijst






Toen in 1973 een album, ‘Tubular Bells‘, van Mike Oldfield op de markt kwam, werd het met respect ontvangen, maar ook met enig wantrouwen. Veel van de muziek lag goed in het gehoor, hoewel het bekende egocentrische gemompel zo geliefd bij rocksterren, er niet in ontbrak.


Erger nog, niemand wist precies hoe je haar moest omschrijven. Het duurde bijna drie kwartier en het was kennelijk geen popsong of zelfs een soort rockmuziek. De constructie, hoewel niet al te hecht, werd gevormd door een klein aantal samenhangende thema’s met een vaagklassieke inslag. De structuur deed denken aan Sibelius, Vaughan Williams en Michel Legrand.

Met zijn partituur voor een groot aantal rockinstrumenten, met inbegrip van een stel elektrische gitaren, was het qua omvang en opvatting een orkestwerk. Het was niet te verbazen dat het commercieel dat wil zeggen op de hitlijsten geen hoogvlieger was. Momenteel zijn er echter meer dan vijf miljoen exemplaren van verkocht.

In de Verenigde Staten werden er van ‘Tubular Bells‘ meer exemplaren verkocht dan van welke vergelijkbare Engelse opname ook. Maar het was dan ook nergens mee te vergelijken. Mike Oldfield had het stuk niet alleen zelf geschreven, het ontwerp voor de hoes bedacht en het geluidstechnische gedeelte verzorgd, maar had ook nog alles zelf gespeeld — vleugel, klokkenspel, basgitaar, verschillende orgels, flageolet, mandolines, pauken, allerlei electrische en akoestische gitaren, verschillende percussie-instrumenten en, natuurlijk, de tubular bells- buisklokken.

Wat nog bijzonder was, hij weigerde naar Amerika te gaan om reclame voor zijn plaat te maken — in feite vertikte hij zelf om waar dan ook heen te gaan, wees op een paar uitzonderingen na elk verzoek om een interview af, gaf maar één concert (in de Queen Elizabeth Hall in Londen) en weigerde daar veel over te zeggen, hield er niet van te worden gefotografeerd, wilde het meestal niet hebben, zei nooit iets voor de televisie en maar twee keer iets voor de radio.

Hij bleef schijnbaar onberoerd door de rijkdom die de verkoop van vijf miljoen platen hem gebracht moet hebben. Oldfield is zo verlegen dat het soms pijnlijk is, schept nooit op over zijn werk, heeft nooit iets gekocht wat hij niet nodig had, en ging in afzondering leven in een huis in Herefordshire, vlakbij de grens met Wales, waarvan de precieze ligging min of meer geheim was.

Je gaat richting Wales, zegt hij, ‘en dan is ‘t de eerste heuvel rechts — geloof ik.’

Oldfield begon zijn muzikale loopbaan als zanger, samen met zijn oudere zusje Sally, met wie hij een akoestisch folkduo vormde: Sallyangie. Ze maakten een plaat toen hij veertien was, maar die was muzikaal noch commercieel een succes. Onenigheden met zijn zuster over de sound die Oldfield toen al nastreefde noopten hem alleen door te gaan. Hij vormde een groep  die afwisselend Barefoot en Barefeet werd ge­noemd. Geen van de andere leden verstond een woord van wat Oldfield zei. 

Een andere ontevreden musicus, Kevin Ayers, voordien bij dea vantgardistische, free-form popgroep Soft Machine, vroeg Oldfield als bassist voor zijn nieuwe ensemble, the Whole World. Oldfield was gevleid en accepteerde het aanbod. Het was een gelukkige stap. Hij kwam niet alleen in contact met een paar van de fanatiekste en begaafdste musici van zijn tijd, zoals Kevin Ayers en drummer Robert Wyatt, maar maakte ook kennis met David Bedford.

Bedford,  toen eenendertig, had al naam verworven als klassiek componist en veelbelovend pianist, met opdrachten voor Benjamin Brittens Aldeburgh Festival en de Promenadeconcerten van de BBC. Als oud-beursstudent aan de Royal Academy of Music in Londen, had Bedford les gehad van de Italiaanse componist Luige Nono en verdiende hij nu iets bij als rockmusicus. Niet de teenybopper-muziek van David Cassidy, maar serieuze pogingen om de populaire muziek uit het slop te halen waarin ze verzeild geraakt was.

Toen Oldfield begon uit te leggen welke muziek hij op, het oog had, begreep Bedford hem onmiddellijk en moedigde hem aan. En het belangrijkste: hij gaf Oldfield een exemplaar van Frederick Delius‘ tonale gedicht Brigg Fair, omdat dit Bedford het dichtst leek te liggen bij de sound die Oldfield beschreven had. Kevin Ayers,  pragmaticus die hij was, gaf Oldfield een tweesporen bandrecorder en zei dat hij maar op de band moest zetten wat hij had beschreven.

Oldfield begon direct alles wat hij in zijn hoofd had op te nemen. Zonder enige financiële steun of eigen middelen begon hij met het proces van componeren. Hij leerde zichzelf het muziekschrift lezen en noteren en kwam langzaam tot de compositie van wat ‘Tubular Bells‘ zou worden. In dit stadium was het nog weinig meer dan een verzameling klanken en akkoorden die zijn aandacht hadden getrokken toen hij nog optrad.

Via Ayers kwam Oldfield ook in contact met Richard Branson, die op een Engelse kostschool (Stowe) had gezeten. Branson was een postorderbedrijf voor grammofoonplaten begonnen, dat hij Virgin had genoemd, en dat voor lage prijzen de beste elpees aan weerszijden van de Atlantische Oceaan te koop aanbood. Later investeerde hij al zijn winst in de koop en restauratie van een oud zestiende-eeuws landhuis bij Oxford en zette er de beste opname-apparatuur in die hij zich kon veroorloven.

Het zou een ideale omgeving zijn om te musiceren, zei hij: de rust van het platteland, luxe accommodatie, geen vaste werktijden en absoluut geen last van zakenlieden of bemoeizuchtige journalisten. Het was zo’n goed idee, dat er niemand kwam. Behalve dan Mike Oldfield, voor wie de afzondering volmaakt was.

Maandenlang werkte hij aan zijn bandje, af en toe een andere groep helpend die in het deels gerestaureerde landhuis op bezoek was, maar meestal bezig met opnamen en heropnamen van zijn eigen muziek. Tenslotte was hij klaar en overtuigd dat hij een meesterwerk had gemaakt. Hij was net achttien geworden.

Helaas deelde niemand zijn enthousiasme. Branson had het graag gewild, maar kon het niet. Hij was bijna failliet. Hij wilde ‘Tubular Bells‘ graag hebben voor zijn—nog op te richten — platenmaatschappij Virgin maar moest Oldfield meedelen dat hij iemand anders moest zoeken.

Een jaar lang liep Oldfield elke platenmaat  schappij in het Westen af— letterlijk. Hij had het bijna opgegeven toen onverwacht Branson weer contact met hem opnam. In een laatste wanhopige poging gingen Branson en zijn compagnon Simon Draper met het bandje naar de MIDEM, de jaarlijkse bijeenkomst van muziekuitgevers in Cannes. Slechts één uitgever toonde enige interesse, en dan ook nog op voorwaarde dat Oldfield er wat vage stemmen bij zou doen om er wat meer ‘betekenis’ aan te geven.

Oldfield moest zich tot Branson wenden. En Branson, die nog steeds in hem geloofde, had geen andere keus. Hij zou zijn mini-maatschappijtje moeten beginnen met een plaat die niemand wou. Met een overdadig optimisme gaf Branson ‘Tubular Bells‘ het serienummer dat het volgens hem verdiende: V2001.

Oldfield keerde terug naar de studio om nog wat opnamen te maken — in feite werden het er 2300—en enkele’ maanden later was hij klaar. De plaat kwam uit op 25 mei 1973.

Branson beweert nu dat hij insloeg als een bom, hoewel de werkelijkheid minder spectaculair was. Een maand later was het concert in de Queen Elizabeth Hall. Oldfield verzamelde een indrukwekkend aantal instrumentalisten om zich heen, met inbegrip van Mick Taylor, in die tijd deel uitmakend van de Rolling Stones, David Bedford en Kevin Ayers. Het publiek, waaronder Mick Jagger, was enthousiast, hoewel de zaal lang niet vol was.

Sommige critici  probeerden het stuk te zien in termen van fuga en contrapunt, iets waar Oldfield zich later altijd over verbaasd heeft. De meesten waren verbijsterd, maar iedereen was het er over eens dat het een indrukwekkend debuut was. Het concert had Oldfield er ook van overtuigd dat optreden niets voor hem was, evenmin als de toeschouwers, de pers en de rock-promotiemachinerie.

Hij had verschrikkelijk tegen het geheel opgezien en ging weer terug naar het huis van zijn vader, waar hij zijn tijd doodde met het graven van een eendenvijver.

Branson stond voor de nachtmerrie een plaat te moeten promoten waar de componist en voornaamste musicus geen reclame voor wilde maken.

Wat er toen gebeurde was even krankzinnig als fortuinlijk. De plaat had enig succes geboekt in Amerika, toen filmregisseur William Friedkin besloot een deel ervan te gebruiken als thema voor zijn film The Exorcist. Zowel Branson als Oldfield krimpen nu ineen bij de gedachte aan de film en in elk geval Branson zou het liefst elke bezoeker ervan overtuigen dat het immense kassucces van The Exorcist niets te maken had met de uiteindelijke triomf van ‘Tubular Bells‘.

Weliswaar werd de plaat ook toen al goed verkocht maar de beslissende overgang, van een plaat die het commercieel aardig deed naar een enorme tophit, vond plaats nadat in Amerika de single ‘Theme from the Exorcist‘ was uitgekomen. The Exorcist en de miljoenen dollars lieten Oldfield echter koud. Hij was zijn eendenvijver aan het graven en daarmee uit.




Click to listen highlighted text!