blanco

melodie.moonpub.net

de populaire muziek & haar deuntjes uitgelicht

Skifle: 3 akkoorden, een wasbord & een tobbe met snaren










ook de Beatles begonnen als Skifle-groep








De Engelse popmuziek heeft een eigen, beperkte bijdrage geleverd aan het ontstaan van de rock & roll met een stijl die skiffle werd genoemd. De skiffle was het Engelse equivalent van de Amerikaanse jugband-muziek in de dertiger jaren en voortgekomen uit de traditionele jazz uit New Orleans, vooral uit een jazzband geleid door Chris Barber, met Lonnie Donegan.


Ik kwam eens ‘s avonds uit de studio,’ zegt Jack Good, een Engelse t.v.-producer die als een van de eersten rock voor de t.v. bracht in Amerika en Engeland, ‘en ontmoette het hoofd van de afdeling amusement van de BBC, die me vroeg hoe lang de rock ‘n’ roll het zou uithouden. Ik zei stoutmoedig dat het wel eeuwen kon duren. Hij zei: “Ik geef het hoogstens drie maanden.

Dat was in 1957. Ik kwam hem in 1965 weer tegen bij het concert van de Beatles in Carnegie Hall en vroeg hem hoeveel jaar hij de rock ‘n’ roll nog gaf. Hij moest toegeven dat het einde nog niet in zicht was, hoewel hij dat graag zou willen. Hij is nu dood. De rock ‘n’ roll heeft hem overleefd.

Rock ‘n’ roll had niets te maken met de oude Europese muziek. De Europese jazz was altijd een imitatie geweest van de Amerikaanse en niet gebaseerd op iets typisch Engels of zelfs Europees. De orkesten speelden gewoon hun versie van het Amerikaanse origineel. Zo was het altijd geweest, en met de rock ‘n’ roll was het praktisch net zo gegaan. Eigenlijk was het nog erger. De Engelse ‘rock’-bands minachtten de muziek die ze speelden.

De eerste rockgroep die in Engeland optrad stond bijvoorbeeld onder leiding van een drummer, Tony Crombie. Er speelden verschillende vooraanstaande Engelse jazz-musici in. Ze traden met veel succes op in het Londense Palladium, de tempel van de Engelse music hall. Maar terwijl de Engelse jongeren elke Amerikaanse rock ‘n’ roll-plaat kochten die ze maar konden vinden, toonden de Engelse musici openlijk minachting voor de muziek die ze moesten spelen.

Jack Good zegt: ‘Ze deden Bill Haley na, maar ‘t was een weerzinwekkend gezicht. Er zat absoluut geen pit in. Ze moeten het gevoel gehad hebben dat ze op een feestelijk versierde vrachtwagen zaten waarvan binnenkort de benzine op zou zijn.’

Namaak rock ‘n’ roll-zangers uit Engeland liepen muzikaal vast. Er was geen enkele band die hen overtuigd kon begeleiden. De eerste ‘doorbraak’ kwam van Tommy Steele (geboren Hicks), die een band had met een uitstekende gitarist, Roy Plummer. Tommy Steele’s eerste concert was een ramp. Toen hij zijn onthutste publiek toeschreeuwde: ‘Rock mee met het oervolk!’ had hij er geen idee van wat hij deed of waarom. En Roy Plummer scheen te denken dat een rock-solo bestond uit het spelen van vierentwintig maten op dezelfde toon. Het was geen slecht optreden omdat de musici slecht waren, maar omdat ze dachten dat de muziek die ze brachten rotzooi was en van hen verwacht werd dat ze rotzooi brachten— en dus deden ze dat ook.

De Engelse popmuziek had echter een eigen, beperkte bijdrage geleverd met een stijl die skiffle werd genoemd. De skiffle was het Engelse equivalent van de Amerikaanse jugband-muziek in de dertiger jaren en voortgekomen uit de traditionele jazz uit New Orleans, vooral uit een jazzband geleid door Chris Barber, met Lonnie Donegan.

Donegan, geboren in Glasgow en van Ierse afkomst, was opgegroeid in het Londense East End. Hij was de eerste echte popster van de vijftiger jaren. Hij had een volkomen eigen sound, die voor het eerst de aandacht trok door een nummer op een elpee van Chris Barber genaamd ‘Rock Island Line‘. Van de titelsong werd een single gemaakt die veel succes had, en spoedig verschenen er overal in Engeland skifflegroepen. Net als de Amerikaanse jugbandmuziek waarop ze was gebaseerd, was ook de skiffle gemakkelijk te spelen.

De naam skiffle kwam uit Chicago,’ zegt Donegan. ‘Het was een muziek die werd gespeeld op huurfeestjes. Buurtgenoten die zelf straatarm waren organiseerden een feestje. Ze maakten er een vrolijke boel van met zelfgeproduceerde wijn en ze maakten muziek met een bezem of een wasbord — wat maar voorhanden was. Daarna gingen ze met de pet rond om geld te verzamelen voor de huur.

De skiffle bestond uit slechts drie akkoorden, en iedereen kon spelen op een wasbord of een tobbe met snaren. ‘Bovendien,’ zei Donegan me nog, ‘was ‘t erg moeilijk om in die tijd aan een akoestische gitaar te komen in Engeland. Banjo’s vond je helemaal niet, tenzij toevallig in een winkel met tweedehands artikelen.‘ Er werden meer dan een kwart miljoen platen verkocht van ‘Rock Island Line‘. Donegan hield zich voor zijn optreden aan het vakbonds-niveau: drie pond en drie shilling. Hij kreeg geen royalty’s.

Afgezien van de skiffle was het wonderlijk gesteld met de Engelse popmuziek van die tijd (1956). Donegan zelf sprak zijn volmaakte minachting uit over de rock ‘n’ roll en had een obsessie jegens de man die een symbool voor die nieuwe muziek scheen te zijn: Tommy Steele. Steele werd het doelwit van een eindeloze serie sarcastische opmerkingen van Donegan. Eens, toen beiden optraden in een t.v.-programma, maakte Donegan een van zijn typische anti-rock, anti-Steele opmerkingen en begon toen zijn eigen ‘Bring a Little Water‘ te zingen — waarop Steele kwam aanzetten met een emmer water en die leeggoot over Donegans hoofd.

Steele had al gauw zijn ‘eigen’ colonel Parker in de vorm van twee platenjongens, John Kennedy en Larry Parnes. Ze zaten met een dringend probleem. Hoewel de rock ‘n’ roll al over de Atlantische Oceaan was gedaverd door middel van films als Rock Around the Clock van Bill Haley, bestond er in Engeland nog weinig belangstelling voor.

De radio en televisie deden alsof de rock ‘n’ roll niet bestond. De BBC had het voor het zeggen en was niet van plan die ‘ether-vervuilende’ klanken uit te zenden, noch via de radio noch via de televisie. Het enige alternatief was Radio Luxemburg, die Engelse uitzendingen verzorgde vanaf de overkant van het Kanaal. Vreemd genoeg begonnen ze in Luxemburg slechts langzaam te beseffen dat de rock ‘n’ roll, nu ze door de BBC genegeerd werd, hun commerciële redding kon betekenen. In tegenstelling tot de Amerikaanse radiostations hadden ze niet meteen door dat, als de rock ‘n’ roll publiek trok, er ook geld uit te halen was.

De enige mogelijkheid voor de nieuwe sound lag in het variété. Voor de impresario’s was de rock ‘n’ roll een nieuwigheid die als ze genoeg belangstelling kreeg ook nieuwe mensen naar de theaters zou trekken. De rest van de avond werd dan gevuld met komieken, jongleurs, dierennummers, zangers en een orkest. Het vaste orkest was, tussen haakjes, beledigd wanneer het de rock ‘n’ roll niet mocht begeleiden. De gedachte dat iemand met een eigen orkestje op het toneel zou verschijnen was te gek om los te lopen.

Deze merkwaardige ontmoetingen van het variété en de Engelse na-apers van de Amerikaanse rock ‘n’ roll had twee belangrijke gevolgen: de eerste Engelse aanhangers van de rock ‘n’ roll moesten een heel scala van variéténummers uitzitten voor ze hun idolen konden zien, en de eerste Engelse rocksterren zagen artiesten die alle kneepjes van het toneelvak kenden.

Tommy Steele trad bijvoorbeeld op na twee doorgewinterde jonge Engelse komieken, Mike en Bernie Winters. Ze maakten hem duidelijk dat er aan een optreden meer vastzat dan het zingen en schreeuwen voor een publiek. Hij begon zich te interesseren voor de toneelmatige kant van de zaak. Als gevolg hiervan werd zijn optreden ge-polijster. Zijn muziek was dan misschien abominabel maar hij ‘bracht’ zijn nummer goed.




Click to listen highlighted text!