blanco

melodie.moonpub.net

de populaire muziek & haar deuntjes uitgelicht

Oudste Amusementsorkesten

 

De muziek is niet slechts overgebracht door Gregorius of de kruisridders, maar ook door de poorters en minstrelen. Dit wordt op het ogenblik systematisch vergeten – Willem Pijper. De Quintencirkel.


Over de muziek als amusement is in de loop der tijden weinig geschreven. Dit komt waarschijnlijk omdat de woorden ‘amusement’ en ‘vermaak’ door de eeuwen heen een slechte klank hebben gehad.

Volgens velen is amusement en bijgevolg ook de amusementsmuziek, identiek met zedeloosheid of, in het minst ongunstige geval, met luidruchtige lol. Reeds bij de Phoeniciërs lezen wij, dat de stad Tyrus, waar in dagen van welvaart het vermaak een ruime plaats innam, ‘de grote lichtekooi met de lier’ werd genoemd, en dat naar aanleiding daarvan Isaïas hoonde: ‘Neem je lier op en ga door de stad, verlopen meid, speel maar mooi en zing maar goed, dan wordt er nog aan je gedacht.’

Het is niet onwaarschijnlijk dat de eerste Europese orkesten voornamelijk waren ingesteld op feestgedruis en kermispret. Dr. Hendrik Willem van Loons hypothese hierover, is zeker de moeite van het overdenken waard. De hooggeleerde schrijver is er namelijk van overtuigd, dat de jongleurs – de muzikanten die de troubadours bij hun optreden op de kastelen en aan de hoven moesten begeleiden – min of meer spelenderwijze tot de vorming van orkesten zijn gekomen. Wanneer de troubadours, in de regel van adel, zich te goed deden aan het banket van zóveel gangen, waren de jongleurs verplicht in een herberg of in de gewelven van het slot, te wachten tot hun broodheren hun diensten weer van node hadden.

Om de tijd te doden zouden zij dan in een spontane opwelling en onder het genot van enige glazen zuur bier, hun harpen, violen en fluiten ter hand hebben genomen om gezamenlijk en in vereniging wat muziek te maken. Nadat de voorbijgangers deze spontane reacties beluisterd hadden, was het commerciële element om de hoek komen kijken. Want de burgers vonden deze gezellige klanken nu net iets voor hun danspartijtjes. Het gevolg was, dat zij deze muzikantengroepjes gingen engageren voor hun feestjes. Hiermee zagen de eerste orkestjes – uiteraard amusementsorkestjes – het licht. Immers, van begeleiders waren de jongleurs nu tot leden van een zelfstandig optredend orkest gepromoveerd. Zo beschouwd waren het dus de vermaaksmuzikanten die de basis legden voor het orkestwezen.

Wat de latere representanten van het vermaak, de speellieden, de muzikanten die in de loop der eeuwen Europa doorkruisten betrof, deze stonden in een niet al te goed blaadje. Er was zelfs een tijd dat een muzikant rustig om hals kon worden gebracht zonder dat dit al te zwaar werd aangerekend. Want de straf welke de dader hiervoor had te ondergaan, bestond uit twintig stokslagen op zijn schaduw.

Nu droeg de verschijning van de oude vedelaars er bepaald niet toe bij om groot vertrouwen in te boezemen. Het komt mij voor, dat de Jeroen Bosch-achtige typen zoals die door de grote meesters zijn geconferfeit en waarvoor mijn oude vakgenoten model hebben gestaan, zelfs de koene poorters – en niet te vergeten hun eerbare gaden – de stuipen op het lijf moeten hebben gejaagd.

Bovendien blijken zij dikwijls geschilderd te zijn in situaties die met recht en reden aan hun moraal hebben doen twijfelen. Jan Steens ‘In slecht gezelschap’ bijvoorbeeld, voorstellende een ‘bordeeltjen’, vertoont op de achtergrond een grijnzende speelman. In ‘De Brouwerij van Jan Steen’ staat de speelman achter een jonge vrouw die door een oudere man het hof wordt gemaakt. Zoals in die dagen gebruikelijk, treedt de speelman hier kennelijk als koppelaar op en de indruk die hij hierbij maakt is wel zó huichelachtig dat dit waarschijnlijk de reden is geweest, dat hij door een latere schilder is weggewerkt. Pas na de restauratie in 1957 is de oude schavuit weer voor de dag gekomen. Voorts zijn er ‘Het verlopen huishouden’ en ‘In weelde siet toe’, de doeken van de verdorvenheden en de verwerkte spreekwoorden. Ook hier is de speelman min of meer debet aan de uitspattingen.

Dit alles deed de vermaaksmuziek geen goed en het spreekt vanzelf, dat zowel de muziek als haar uitvoerders hel in orthodoxe kringen en bij de zedenprekers moesten ontgelden. Maar er is geen tijdperk geweest zonder zedenprekers en het is altijd de uitzondering op de regel geweest, die als waarschuwend voorbeeld werd gesteld. Naast schilderijen waaruit geen al te hoge dunk voor de muzikanten blijkt, zijn er ook enkele beschrijvingen waaraan ze te pas komen. Zo bestaat er een verhaal over Amsterdamse herbergen-met-muziek dat, gezien de bedenkelijke reputatie van deze vermaaksoorden, er niet toe zal hebben bijgedragen het aanzien van de zeventiende-eeuwse musicijns te verhogen.

Click to listen highlighted text!