Vertaling: Eigg, Rhum & Muck

Als men Steven Spielberg zou vragen voor een van zijn avonturenfilms een romantisch Schots eilandje uit te kiezen, zou hij wellicht beginnen met te kiezen uit Eigg, Rhum en Muck, het drietal kleine eilandjes van de Inner Hebriden, bekend bij generaties schoolgaande kinderen als een rijtje aardrijkskundige namen.

Rhum en Muck kunnen gezien worden als elkaars tegengestelden. De spitse, vulkanische toppen van het eerste eiland, de afgelegen dalen waar je wordt opgegeten door rondzwermende muskieten en het namaak Highland kasteel (neergezet door een miljonair uit de Midlands en nu een hotel) zou een geschikt landschap zijn voor Indiana Jones of zelfs Jurassic Park. Muck daarintegen, is idyllisch, met een keurig dorpje rondom een allerliefst haventje: meer Disney dan Spielberg. Eigg is anders; het is zowel indrukwekkend als liefelijk, kaal en weelderig.

Met een klimaat dat zowel aan de noordpool als aan de subtropen doet denken is het bijna schizofreen. Ik denk dat Spielberg Eigg zou kiezen. Enkele honderden bezoekers per jaar doen dit daadwerkelijk en wagen de oversteek van een uur om zich bij de zestig tot tachtig eilandbewoners te voegen. Eigg heeft, zelfs uit de verte, gezien vanuit Arisaig op het vasteland of vanaf het stampende dek van de veerboot Shearwater, een zekere geheimzinnigheid. De Sgurr, de enorme rotspunt, doet lijken op een uit de zee oprijzende, gigantische sfinx. Wanneer er met donderend lawaai een harde, atlantische wind opstaat, is het, terwijl de boot de donkere, vulkanische rotswanden nadert, nog mysterieuzer doordat, naar het lijkt, Indiaanse rooksignalen de lucht in stijgen, afkomstig van haar toppen. Maar het zijn geen rookslierten. Het zijn watervallen die door de wind recht omhoog geblazen worden.

Terwijl de boot langs de rotsen vaart, waar de zeerobben bij mooi weer in de zon liggen te genieten, en koers zet naar de stenen kade laten de contrasten van Eigg zich pas goed zien. De hellingen onder aan de rotspunt zijn royaal met bos bedekt. In de lente schitteren de bossen en de oevers van de beekjes van de wilde bloemen en in de tuin van de landheer, de Lodge, bloeit een zogenaamde flame tree, een boom met rode pluimen die men doorgaans in Australie aantreft.

Hogerop gaat het grasland over in heide, afgewisseld door gesteente en rotswanden. Felgroene veengronden en turf-bruine binnenmeertjes strekken zich uit onderaan de rij bergtoppen achter de Scurr.De legendes over het eiland stemmen overeen met het landschap. Het verhaal gaat dat de laatste pterodactylussen rondvluchten maakten in de buurt van de klippen van Sgurr; hun beenderen zijn aangetroffen in een grot.

Op een rotsachtige landengte werden de missionaris St.Donnan en zijn monniken uitgemoord door huurlingen van de koningin van Moidart. De martelaren liggen hier ergens onder de turflaag naast onbekende zeelieden afkomstig van de kruiser Curaçao die tijdens de oorlog door een aanvaring met de Queen Mary in tweeen werd gespleten. De wrede koningin zelf moet zich hier nog ophouden; haar verschijning wordt gezien nabij het roerloze en duistere binnenmeertje onderaan de Sgurr dat ook de schuilplaats is van de “water kelpie”, een aantrekkelijke jongeman met bokkenpoten en waterplanten in zijn haar.

Loop vanaf de kade landinwaarts, het keienpad langs het bergstroompje af, voorbij de poorten van de Lodge en het parochiehuisje dat op zijn fundamenten staat te schudden als op feestavonden de doedelzakken blèren en de Highlanders hun volksdansen ten beste geven.

Volg het pad rondom de voet van de Sgurr naar het westen waar, bij helder weer, de Outer Hebriden zich als een schaduw aftekenen aan de horizon.Als elk zicht op bewoning verdwenen is, liggen er tussen de rotsen in het heidelandschap en de adelaarsvarens cirkelvormige en vierkante steenbodems. Dit was eens het al lang verlaten dorpje Grulin; verderop ziet men het dak en de rokende schoorsteen van een hut. Daar ontmoette ik eens een bergbeklimmer uit Engeland die daar in z’n eentje verbleef om de hogerop gelegen steile rotsen te beklimmen. Nee, was zijn antwoord op de voor de hand liggende vraag, hij voelde zich niet eenzaam. Zo nu en dan verscheen er een harige schapenkop voor het raam en af en toe, ‘s avonds, hoorde hij de doedelzakken. Het moet natuurlijk verbeelding zijn geweest, maar hij was er van overtuigd doedelzakken te horen. Hij wist niet dat, naar het bleek, Grulin in de 18e eeuw de woonplaats was van Donald MacQuarrie, de belangrijkste doedelzakblazer van de kleine eilanden.

Er loopt een pad over de hei dat naar de rand van de klip leidt en afdaalt naar de zee. Het spoor dat naar de klip zelf afdaalt is niet alleen door schapen gebruikt; ook toeristen benutten het van tijd tot tijd maar niet in zulke aantallen als na de Reformatie of met name op een nacht in de 16e eeuw. De aanleiding eertijds was toen katholieke aanhangers van Jacobus I, die hun godsdienstoefeningen waren ontzegd, zich met moeite en weg baanden langs dit pad naar beneden, over het rotsachtige strand, een kolossale grot in. Het wordt nog steeds de Kathedraal Grot genoemd, niet uitsluitend vanwege de hoge en gewelfde dakgewelf maar omdat eens de eilandbewoners daar hun gewijde kaarsen brandden en in het geheim gebedsdiensten hielden.

Als men al onderzoekend van het glibberige pad naar links gaat in plaats van naar rechts, kan men nog een grot zien, zij het met enige moeite, omdat de ingang nogal klein is. Dit is de Massacre Cave die zijn naam kreeg in 1577. Hier hielden de eilandbewoners zich schuil tijdens een aanval van de Macleods clan uit Harris. Toen zij weigerden zich over te geven, ontstak men buiten de grot een groot vuur dat de lucht uit de grot zoog en alle 398 mensen binnen verstikte. Men liet de stoffelijke resten onberoerd in de duisternis, familie bij familie, onbegraven, totdat in het Victoriaanse tijdperk schedels populair werden bij souvenirjagers; twintig jaar geleden vond men er nog de schedel van een kind.

Wanneer de veerboot aankomt, heft men nog vier en een half uur de tijd voor de afvaart naar Arisaig: tijd genoeg voor een dagjestoerist om de Sgurr op te klauteren en weer terug of om een pelgrimstocht naar de Massacre Cave te maken en de zelfgemaakte koekjes naar binnen te schrokken in het theesalonnetje aan de kade. Er gaat geen autoveerboot naar Eigg. De weinige auto’s die de eilandbewoners laten overbrengen, keren nooit meer terug; de wrakken staan te roesten aan de kant van de weg. Degene die te gast zijn in het alleraardigst pensionnetje in Kildonnan – en een half uur gewandeld hebben om er te komen of de Land Rover die op het eiland als taxi dient hebben besproken – zullen het eiland leren waarderen en zich tevreden stellen met wat het te bieden heeft. Dit zijn grotendeels wandeltochten maar dan wel de beste!

Met de picknick lunch in de rugzak en een wandelstok in de hand, krijgt men steeds meer zin om op avontuur te gaan. Vervolgens voert de wandeling over grasland, heidevelden, door schapen platgetreden paden en langs een zilver strand. Na het zien van de goudarenden die zich rondom de top van de Sgurr ophouden, zou het waarnemen van een pterodactylus niet zo veel opzien meer baren.




Click to listen highlighted text!