Een Doodse Stilte in de Doorloop

Het is te belachelijk je voor te stellen dat iemand die dingen ook echt kan bouwen. Het was voor mij vanzelfsprekend dat de huizen in Glasgow er altijd al hadden gestaan. Niemand kon ze daar toch express hebben neergezet? Toen ik voor het eerst iets over de oude Picten las en hoe ze in hun blauw opsmuk rondrenden en de Romeinse legioennen de stuipen op het lijf joegen, leek het mij vanzelfsprekend dat al dat rondrennen had plaatsgevonden in de doorgangen en op de binnenplaatsen van Gallowgate, waar ik geboren ben.

Deze huizen zijn gebouwd met een soort van zandsteen dat zo stevig is dat ze gedurende al die generaties Picten overeind zijn blijven staan. En dat nog steeds doen; het ziet er niet naar uit dat iemand daar ooit wat aan zal veranderen. Het is waar dat er in George Street en Govan Clyde een paar de laatste tien jaren spontaan bouwvallig zijn geworden, maar dit komt waarschijnlijk omdat men ze heeft verlaten en ze zich eenzaam zijn gaan voelen en niet vanwege een zwakke constructie.

De meesten hebben vier verdiepingen en zijn in een rechthoek gebouwd om zo een binnenplaats te creeeren. De binnenplaatsen worden gescheiden door gemetselde muren en washokken van baksteen bedoeld om er over heen te klimmen. Op het dak van zo’n hok had ik mijn eerste ervaring met de boze wereld die in de grote stad overal op de loer ligt. Ik zal toen vier jaar oud geweest zijn, een hachelijke leeftijd in Glasgow, want als je als vierjarige plezier in het leven wilt hebben dan moet je opboksen tegen het iets oudere kleine grut dat natuurlijk altijd harder wil rennen en hoger kan springen dan jij.

Ik was dus weer eens de laatste van het stel bij een wedstrijdje hardlopen over de muur van de achterste binnenplaats in Gallowgate, in de richting van de hogere hokjes in Cubie Street toen ik, ver achtergelaten door de anderen, aankwam bij een van de hindernissen in de route.

De muur maakte een bocht en als je het traject wilde uitrennen dan moest je je naar beneden laten zakken, op een vuilnisemmer gaan staan en je schrijlings op het volgende stukje muur hijsen en hup! De laatste etappe naar de daken. Toen ik me bukte om me te laten zakken, wist ik dat het te laat was. Het was te donker om de grond daar beneden te zien, maar ik had genoeg gehoord van mensen die allebei hun benen hadden gebroken. Ik had, er over nadenkend, niets anders over gehoord vanaf de dag dat ik kon lopen.

Maar nu hing ik daar aan mijn vingers en terugklimmen was er ook niet bij. Ik schreeuwde wat – een binnenplaats in Glasgow op een dinsdagavond is de eenzamste plek op de wereld – maar er gebeurde niets, dus begon ik maar te gillen – en ik had in die dagen een flink vibrerende gil! – waarop mijn zuster Johanne, die een honderd meter meter verderop en twee verdiepingen hoger thuis zat, mijn kreten herkende en zich naar buiten haastte om mij te redden. Ze moest eerst mijn vingers loswrikken van de muur voordat ze me naar beneden kon halen.

Het gevaar en de dood waren altijd vertrouwde bekenden.

Enkele weken later was Tommy Mulholland, de jongen die boven mij woonden, met zijn hobbelpaardje aan het spelen op de gallerij van de eerste verdieping, toen het hele zaakje omsloeg en hij gelanceerd werd naar de begane grond. Het leek hem niet te genezen om in het vervolg maar met het uitzicht op de hogere verdiepingen te hobbelen hoewel het sowieso eigenaardig is dat hij dat wiebelen op zijn hobbelpaard in het trappenhuis deed.

De verklaring hiervoor is dat de “close” in Glasgow niet zomaar een doorgang of steeg onder het gebouw is, maar een levensstijl. Hij loopt door van de straat naar de binnenplaats. De trap naar de etagewoningen begint in het midden. Er gebeurt altijd wel wat – steevast is er iemand bezig met hetzij schoonmaken, de muren te bekladden, verstoppertje te spelen of gewoon kreten te slaken om de echo te testen.

Na het schoonmaken wrijven de vrouwen de platte stenen af met een substantie die meteen opdroogt, wit wordt en elke voetstap laat zien. Aan de randen tekenen ze met deze blauwachtige klei een soort van patroon naar eigen ontwerp, soms een figuur van aaneengesloten cirkels, zoals het kantwerk op een beddelaken, soms een meer kronkelend patroon, maar altijd met wiskundige precisie. Het is symptomatisch voor de onuitputtelijke volksoverlevering of voor iets dat ontleend is aan allang vergeten Keltische eeuwigheids- en vruchtbaarheidssymbolen.

Overdag kon je in de doorgang en op de trappen de aloude kreten en liedjes van Glasgow horen. Sonny Hillhouse (Sonny zal ongeveer twintig jaar zijn geweest) deed ons altijd erg veel plezier met zijn eigen versies van de populaire hits als hij de trap opkwam. Ik hoor hem nog zingen:

“De tijd is als een sliert van rook van mijn sigaret
Het leven is een jagend zwijn
En ik het hijgend hert” (luid gehoest…)

Of een andere favoriet in Gallowgate:

“Als je op de hoek een grote dikke vrouw ziet staan
Met hele grote dikke platte schoenen aan
Ja, dat is mijn moeder…”

Een vrolijkgestemde huisvrouw haakten dan meestal wel in bij het refrein met opbeurende kreten als “Kop dicht!” of “Hou je flappus!”

De doffe klappen van een deurmat die afgerosd werd tegen de muur ging ritmisch samen met het gekraak van Tommy Mulholland’s hobbelpaardje en door het open raam van de middelste verdieping kon je mijn eigen schrille stem horen schreeuwen onderaan het keukenraam van de binnenplaats achter: “He mam! Gooi ‘s een homp met sjem!”.

We hadden een onverzadigbare trek in dikke sneeen brood met overdadig uitgesmeerde jam en op elk moment van de dag ging er wel een ergens een keukenraam open en vloog er een boterham naar beneden. Maar anders dan de andere, onnadenkende ouders wikkelde mijn moeder er altijd een papiertje omheen voordat ze het naar beneden gooide . De andere kinderen raapten het brood gewoon op uit de modder en aten het op, net zo lekker. We waren immuun voor aarde en prut.
Als twee jonkies elkaar op de trap tegenkwamen schalde er een ander soort van tweezang door de steeg, een die ons altijd veel binnenpret gaf:

“Hee jij, laa’k je nie hoore!?”
“Hee ij, kijk toch naar voore!?”

Wanneer het donker werd – en in mijn herinnering werd het altijd veel donkerder in Gallowgate dan elders in het land, ondanks de straatlantaarns en de verlichte winkels – werd het in de doorloop ook stiller. Maar de late uurtjes kenden andere geluiden. Als het volledig stil was geworden was het tijd voor een wel heel merkwaardige kreet: “Wie heeft de Singer naaimachine gemold” en het geschreeuwde antwoord “Ik, Ik heb het gedaan!” en vervolgens voetstappen op de stenen trap.

Deurtje-tikken is in Glasgow een sport met geheel eigen regels. De groep vereist een absoluut onschuldige sul die uitgelegd wordt dat het zijn beurt is om ‘m te zijn; hij moet naar de bovenste verdieping gaan en rennend naar beneden “Ik heb het gedaan!” gillen als hij iemand naar de deur hoort komen. Zodra hij naar boven gaat, begint de rest van het ploegje op alle deuren te kloppen of de belletjes te trekken van de woningen op de lagere verdiepingen; op het moment dat de inwoners de deur opendoen, passeert dan daar het onnozele slachtoffer met zijn schreeuw.

Ik denk niet dat iemand het ook maar leuk vond maar desondanks dat het slachtoffer altijd wist wat hem te wachten stond, hij speelde het spel toch altijd mee. We hadden het alsmaar over hoe we stukken touw zouden meenemen om de deurknoppen aan elkaar vast te knopen zodat de twee families niet meer uit hun huis konden komen, maar touw was moeilijk te vinden. Iedereen kon zich altijd herinneren hoe fantastisch het de laatste keer was geweest maar niemnand had ooit echt een stuk touw bij zich.

Met uitzondering van die ene keer…

Ik was aan het spelen met twee van die grote blaaskaken die me mee hadden genomen om “‘m te zijn” in het Singer’s naaimachinespel en er was zowaar een stuk touw. Ik kreeg het ene uiteinde, zij namen het andere en zo begaven we ons op weg naar een doorloop in Cubie Street om daar twee deuren aan elkaar vast te knopen. Er werd wat gegrinnikt omder elkaar en jaren later realiseerde ik me pas, terugkijkend, dat ze waarschijnlijk bezig waren met te bedenken hoe ze mij erin zouden luizen door bijvoorbeeld tegen een deur te trappen, er vandoor te gaan en mij aan alle kanten ingesloten daar achter te laten. Maar toen ik op mijn tenen ging staan om mijn einde van het touw aan de deurknop vast te maken, ging de deur langzaam open en er keek een man naar buiten. In nog geen seconden stond ik buiten en maakte ik dat ik weg kwam. De twee anderen werden echter op heterdaad betrapt.

Het was leuk om in groepsverband belletje te trekken maar de kinderen die na zonsondergaang alleen de trap op moesten, hadden weer een andere kreet om zich thuis aan te kondigen – “O-pen!!!”. Het was door het hele gebouw te horen, deze schreeuw van de verloren zoon des huizes. Maar in het indringende schreeuwen lag ook een lage ondertoon van angst; zelfs jouw eigen, vertrouwde doorloop kan ‘s avonds dreigend zijn; je wilt niets liever dan dat moederlief alvast de deur opendoet nog voordat je zelfs maar een stap de trap op gegaan bent. Er kan van alles op de loer liggen op de met een flikkerend gaslichtje verlichte galerijen; goped beschouwd weet je zeker dat er iets is. Maar ook kan je niet aan de voet van de trap blijven staan want dat is te dicht bij de binnenplaats die al helemaal een donker gat is aan de achterkant.

Zelfs bij het passeren van een doorloop kun je de dreiging die ervan uitgaat voelen. Want in stille straten ‘s avonds geven jouw voetsstappen een echo af telkens als je een doorloop passert. Je kijkt opzij en daar is dat duistere niets aan het uiteinde ervan. Zelfs als je je dwingt om niet te kijken, voel je nog de zwartheid ervan tegen de zijkant van je gezicht drukken. Je zet het op een lopen maar dat maakt het alleen maar erger want bij het passeren van de volgende doorloop hoor je weer die echo en je weet dat aan de andere kant van het gebouw iets met hele lange benen gelijke tred met je houdt, dwars door de muren van de binnenplaats heen. En hoeveeel benen heeft het wel niet?

Mocht je ooit in Glasgow over het trottoir een jongen zien rennen die geluiden maakt als van een stoomtrein telkens als hij weer langs een doorloop komt, bedenk dan dat hij dit niet uitsluitend doet om van de echo te genieten of om de burgers te pesten; hij is bang voor iets dat zich op de binnenplaats ophoudt en die hem bij iedere stap die hij doet schaduwt? We hadden vroeger in Gallowgate als opgroeiend grut onze eigen woorden op de wijs van een zwarmoedige ballade uit de Eerste Wereldoorlog, Suvla Bay getiteld:

Waarom huil ik?
Omdat Flannelfeet bij
Een doorloop in Bellfield Street is?

Ik wilde weten wie of wat dan wel Flannelfeet was, maar niemand heeft me dat ooit helder kunnen uitleggen. Ik ben er ook nooit achter gekomen en later kon me dat helemaal niets meer schelen. Wel weet ik dat de doorloopjes in Bellfield Street het ergst waren…

Verhaal origineel: Archie Hind
Verhaal vertaald: Johnny Hoeve





Click to listen highlighted text!